Oosterse verhalen (info)

!

 

!

Kwan Yin, de Godin van de Genade

Koning Miao Chuang en zijn vrouw waren beiden al vijftig jaar geworden, zonder dat de goden hun kinderen geschonken hadden. Maar daarvoor was een reden. De koning had in zijn oorlogen veel bloed doen vloeien, en nu werd hij op deze wijze gestraft. Doch eindelijk, eindelijk lieten de goden zich door zijn gebeden vermurwen. Een dochter werd hem geboren en een jaar later nog een tweede. De koning en de koningin waren erg blij, dat ze nu tenminste niet kinderloos zouden sterven. Maar de koning verlangde een zoon te bezitten, die hem kon opvolgen.

"Waarom heb ik zoveel oorlogen gevoerd? Waarom heb ik me zoveel moeite gegeven mijn vijanden te verslaan? Waarom heb ik zoveel gevaren getrotseerd? Het is immers alles vergeefs geweest, als ik geen zoon heb, die mij kan opvolgen. Want dan is mijn leven gelijk aan een kaars, die opbrandt, zonder een spoor achter te laten," dacht hij vaak in stilte.

Weer werd hem een kind geboren en weer was het een meisje...

In droeve gedachten verzonken zat de koning eens in zijn tuin en staarde voor zich uit. Zo zag zijn eerste minister hem zitten. Deze trachtte zijn meester te troosten met de volgende woorden: "Het is waar, dat de goden u geen zoon geschonken hebben. En daar kan helaas geen mens wat aan veranderen. Maar als uw drie dochters volwassen zijn, kunt ge de drie edelste zonen uit het rijk voor hen uitzoeken. De bekwaamste van uw schoonzoons zal uw opvolger zijn. Wie zal hem dan het recht op de troon betwisten?"

"Dat is waar," zei de koning. "Ik zal de bekwaamste van mijn drie schoonzoons als opvolger kiezen. Die kan dan mijn werk voortzetten." Maar inwendig dacht hij: "Dat moet de echtgenoot zijn van mijn jongste dochter, Miao Shan." Want het was wel vreemd maar hij hield veel meer van dit meisje, dan van zijn beide oudste dochters. Al spoedig bleek, dat Miao Shan een andere aard had dan haar zusters. Ze was veel stiller en ernstiger. Juist daarom hielden haar ouders zo veel van haar.

Toen de prinsessen oud genoeg waren, trouwde de oudste met de zoon van de eerste minister. De tweede werd de vrouw van een jonge officier, die al beroemd was om zijn dapperheid en bekwaamheid. Alleen Miao Shan scheen nog niet aan trouwen te denken.

Daarom liet de koning haar op een dag bij zich komen en sprak: "Lieve dochter, ik ben al oud. Nu wacht ik er op, dat jij een echtgenoot gevonden zult hebben, die waardig is, mijn opvolger te worden. Want hoewel jij mijn jongste dochter bent, wens ik, dat jij later als koningin over mijn rijk zult regeren." Miao Shan antwoordde: "Vader, ik weet, dat u veel van me houdt. Daarom doet het me zoveel verdriet, dat ik u moet teleurstellen. Maar ik voel me niet geschikt om als koningin te regeren." - "Je bent te bescheiden, meisje," zei de koning. "Ik weet zeker, dat jij juist een uitstekende koningin zult zijn." - "Nee vader," antwoordde Miao Shan, "ik heb niet uit bescheidenheid gesproken. Maar het koningschap trekt mij niet aan. Ik zou graag als non mijn leven willen slijten, om te trachten aan Boeddha gelijk te worden."

De koning schrok. "Ik begrijp je niet," zei hij. "Jij wilt afstand doen van de eer, koningin te zijn over een groot rijk? In plaats van dit prachtige paleis kies jij een armoedige cel in een klooster?" - "Ja vader," zei Miao Shan met vaste stem, "roem en rijkdom hebben geen waarde voor mij. Een koning wordt immers na zijn dood bijna even snel vergeten als een arme koelie. Maar in een klooster kan ik streven naar volmaaktheid..."

De koning viel haar in de rede. "Dat zijn dwaze gedachten!" riep hij uit. "Nog nooit is een koningsdochter non geworden. Ik wil, dat je trouwt, versta je me?" - "Ik zal u gehoorzamen," antwoordde Miao Shan met zachte stem, "maar sta me dan toe, vader, dat ik met een dokter trouw." - "Met een dokter?" vroeg de koning verbaasd. "Jij, een prinses, wilt met een dokter trouwen? Wat is dat nu weer voor dwaasheid?" - "Als vrouw van een dokter kan ik mijn echtgenoot bijstaan en zieken genezen, pijnen verzachten," zei Miao Shan. "Nee!" riep de koning uit, "ik geef je geen toestemming met een dokter te trouwen. Je zult koningin worden. En dus moet je echtgenoot een man zijn, waardig om als koning te regeren." Met een boos gezicht zond hij zijn dochter weg.

Daarna zei hij tegen zijn vrouw: "Miao Shan heeft allerlei dwaze gedachten in haar hoofd. Ze wil non worden, of anders met een dokter trouwen. Probeer jij eens, of je haar van plan kunt doen veranderen." De koningin ging daarop met haar dochter praten, maar deze bleef standvastig: "Lieve moeder, als u mij gelukkig wilt maken, laat me dan non worden," zei ze. Deze woorden moest de koningin aan haar man overbrengen. Ze voegde er aan toe: "Laten we haar maar toestemming geven, in een klooster te gaan. Het zal haar daar gauw genoeg vervelen."

Dat hoopte de koning ook. En zo kreeg Miao Shan eindelijk toestemming, om naar het klooster van De Witte Vogel te gaan. Maar de koning had eerst een brief naar de abdis van het klooster gezonden. In die brief stond: "U moet er voor zorgen, dat de prinses het klooster zo spoedig mogelijk weer verlaat." Miao Shan wist natuurlijk niets van deze brief.

Bij haar aankomst in het klooster werd ze door de abdis met veel pracht en praal ontvangen. En ook de nonnen bewezen haar vorstelijke eer. Maar Miao Shan zei: "Ik heb geen recht meer op deze eerbetuigingen. Ik ben thans geen prinses, maar een eenvoudige non. Ik wil hier de nederigste arbeid doen." De abdis probeerde, haar dit uit het hoofd te praten. Maar Miao Shan herhaalde steeds: "Laat mij als eenvoudige non onder u leven. Want alleen door zelfopoffering kan ik streven naar volmaaktheid." De abdis zei daarop: "Goed, ik draag je op, het ruwe werk in de keuken te doen en de kloosterklokken te luiden. Maar als je dit niet kunt, zal ik je wegzenden."

Dankbaar aanvaardde Miao Shan haar nieuwe taak. De abdis wist, dat het werk veel te zwaar was voor het meisje. Ze dacht dan ook dat de prinses het wel spoedig zou moeten opgeven. En dan had ze een voorwendsel, Miao Shan naar haar paleis terug te sturen. Miao Shan toog moedig aan het werk. Toen ze eindelijk 's avonds laat klaar was, waren haar handen gewond en deden al haar ledematen haar pijn. Toen bad ze nog lang en vurig voor ze ging slapen.

De volgende morgen werd ze wakker door het gelui van de klokken. Ze schrok. Deze taak had de abdis immers haar opgedragen! Maar toen ze bij de klokken kwam, was er geen non te zien. De klokken werden geluid door de goede geesten, die haar wilden helpen!

Maar er was nog veel meer wonderlijks gebeurd. Toen ze op het erf kwam, zag ze daar een prachtige waterput, vlak bij de keuken. Die had een draak 's nachts geboord. Nu hoefde Miao Shan niet meer helemaal naar de beek, als ze water nodig had. Een tijger zorgde geregeld voor brandhout en de vogels plukten groente en vruchten voor haar. Dit alles geschiedde op last van de goden, die zich verheugden over de vroomheid van het meisje.

Toen de abdis deze wonderen vernam, werd ze bang. Ze schreef aan de koning een brief en gaf hem de raad, de prinses te bevelen naar het paleis terug te keren. "Want vrijwillig zal ze het klooster zeker niet verlaten, nu de goden haar helpen," voegde ze er aan toe.

Bij het lezen van deze brief werd de koning woedend. "Zelfs de goden spannen tegen mij samen, om mijn plan te doen mislukken," riep hij uit. "Maar ik zal me wreken!" Wit van drift gaf hij zijn soldaten bevel, het klooster aan alle zijden in brand te steken. Spoedig sloegen de vlammen uit de mooie gebouwen van het eeuwenoude klooster. Op de binnenplaats drongen de nonnen angstig samen. Maar daar werd de hitte ook al zo groot, dat ze het er nauwelijks uit konden houden.

In hun angst zeiden ze tot Miao Shan: "Het is jouw schuld, dat dit vreselijk ongeluk over ons komt." - "Dat is waar," antwoordde Miao Shan eenvoudig. Ze knielde neer en smeekte de Heerser van het Heelal, de nonnen te sparen. Daarna stak ze zich met een bamboe haarnaald in haar vinger, zodat een druppel bloed op de grond viel. Onmiddellijk betrok de hemel en het begon te regenen. De bui was zo hevig, dat de vlammen dadelijk uitdoofden.

Weer kreeg de koning een boodschap, dat zijn plannen mislukt waren. Nu kende zijn woede geen grenzen meer. "Mijn dochter moet sterven!" riep hij uit. "De beul zal haar onthoofden. Laten de goden dat beletten, als ze kunnen!" Meteen had hij spijt van deze vreselijke woorden. Zijn vrouw zei wenend: "Sta mij toe, nog eens met haar te spreken. Misschien zal ze naar mij willen luisteren, als ze weet, welk gruwelijk lot haar wacht."

De koning stemde dadelijk daarin toe. Hij hoopte innig, dat Miao Shan haar voornemen, om non te worden, zou opgeven. Maar toen het meisje standvastig bleef, moest de koning het vonnis, dat hij in drift geveld had, wel uitvoeren. Anders zou hij immers zijn gezicht verliezen tegenover zijn onderdanen! "Morgen, bij het opgaan van de zon, zal ze onthoofd worden," sprak hij met doffe stem.

Maar de Heerser van het Heelal had anders beschikt. Toen de zon opgegaan was, werd Miao Shan naar de plaats gebracht, waar ze terechtgesteld zou worden. Met een glimlach op de lippen liep het meisje tussen de zwaar bewapende soldaten naar de beul. Ze dacht: "Heden zal ik eindelijk de aarde verlaten, om een beter bestaan te beginnen."

Ze moest knielen en haar hoofd op een blok leggen. De beul nam zijn bijl en zwaaide die hoog boven zijn hoofd... maar plotseling werd het zo donker, dat niemand meer iets zien kon. De bijl brak in stukken, de zwaarden en lansen van de soldaten versplinterden. Op dat ogenblik liet de Heerser van het Heelal Miao Shan sterven en nam haar ziel tot zich. Een tijger drong door de menigte, greep het dode meisje en droeg haar naar een eenzame plek in het woud.

Op een lichte wolk werd Miao Shan opnieuw geboren. Voortaan zou ze de Godin van de Genade zijn en Kwan Yin heten. Dat betekent: Zij, die de smarten lenigt.

Met diep medelijden keek ze naar de mensen op de aarde, beneden haar. Zo zag ze, dat in het ouderlijke paleis haar vader ziek terneer lag. De Heerser van het Heelal had hem gestraft voor zijn afschuwelijke daad. De god, die ziekte verbreidt, had zijn lichaam aangeraakt, dat geheel bedekt was met wonden en afzichtelijke zweren. Geen enkele dokter wist raad, alle geneesmiddelen bleken nutteloos te zijn. De koning voelde zich steeds zieker worden. Zijn beide dochters bemoeiden zich niet met hem. En zijn schoonzoons wachtten erop, dat hij zou sterven, om daarna het rijk te verdelen.

Alleen Kwan Yin kon haar vader niet zo zien lijden. Ze dacht niet meer aan het leed, dat hij haar aangedaan had. Ze hield nog evenveel van hem als vroeger, en daarom daalde ze naar de aarde af om hem te genezen. In de gedaante van een oude priester, bedekt met lompen, strompelde ze naar het paleis. Op de grote poort had de koning een papier laten aanplakken. Daarop stond te lezen, dat hij, die de koning kon genezen, later hem zou opvolgen. Lang stond de priester naar het papier te kijken en deed, of hij het las. Toen scheurde hij het met één ruk van de poort af.

"Wat doe je daar?" riep de poortwachter boos. "Hoe durf je het papier af te scheuren?"

Kwan Yin antwoordde kalm: "Ik ben niet alleen priester, maar ook dokter. Ik weet, dat ik de koning kan genezen. Daarom is dit papier niet langer nodig."

"Maar als je zo'n knappe dokter bent, waarom reis je dan in lompen door het land?" vroeg de poortwachter.

"Vraag niet te veel en breng me bij de koning," was het antwoord.

De poortwachter liet daarop de koningin waarschuwen. Deze zei: "De koning ligt op sterven. Laat dus die priester direct hier komen."

Zo kwam Kwan Yin dan aan het ziekbed van haar vader, die, rillend van koorts, met bleke ingevallen wangen machteloos terneer lag. Ze nam zijn pols en zei tegen hem, dat zijn ziekte zeker te genezen was. Bij die woorden kregen de koning en de koningin weer moed. "Maar," voegde Kwan Yin er aan toe, "het geneesmiddel is heel moeilijk te vinden." - "Priester, je bent een bedrieger," zei de koning met fluisterende stem. "Wat heb ik er aan, of je zegt, dat mijn ziekte gemakkelijk te genezen is, als je het geneesmiddel niet kent?" - "Ik ken het geneesmiddel wel," antwoordde Kwan Yin. "Het is zalf, die moet bereid worden uit de hand en het oog van een levend mens."

"Dan ben ik verloren," kreunde de koning. "Waar zal iemand gevonden worden, die een hand en een oog voor mij wil opofferen?" Kwan Yin antwoordde: "In het klooster van Hsiang Shan zult ge het verlangde kunnen vinden. Zendt uw boodschappers uit. Ik zal hun zeggen, hoe ze het klooster kunnen bereiken. Ik zelf zal in uw nabijheid blijven." De boodschappers vertrokken onmiddellijk, nadat Kwan Yin hun de weg uitgeduid had.

Intussen hadden de schoonzoons van de koning vernomen, dat een priester hun schoonvader misschien zou kunnen genezen. Dat was helemaal niet naar hun zin. Als de koning genas, zou de priester immers zijn opvolger worden. En dan was het met hun eerzuchtige plannen gedaan. Daarom gaven ze aan de koningin een vergiftige drank. "Deze drank heeft de priester bereid, om de pijnen van de koning te verlichten," zeiden ze.

Ook hadden ze een bediende omgekocht om Kwan Yin te vermoorden. Maar toen de koningin haar man de drank aanreikte, barstte de schaal, alsof er met een hamer tegenaan geslagen was. En op het ogenblik, dat de moordenaar zijn dolk ophief, om de slapende priester te vermoorden, hield een geheimzinnige macht zijn arm tegen en wrong de dolk uit zijn hand. Hevig verschrikt vluchtte de boosdoener weg.

Ondertussen vertoefde Kwan Yin tevens in het klooster, waar ze in de gedaante van Miao Shan de boodschappers ontving. Ze sprak tot de mannen: "Ik weet, dat jullie hier het geneesmiddel komt zoeken voor de zieke koning. Neem een mes en snijd mijn linkerhand af. Daarna kunt ge mijn linkeroog nemen." De boodschappers aarzelden, maar het meisje spoorde hen tot spoed aan. "Als het geneesmiddel niet gauw komt, zal de koning misschien sterven," zei ze.

Met grote tegenzin deden toen de boodschappers hun gruwelijk werk. Op een gouden schaal werden de hand en het oog van de heilige naar het paleis gebracht. De koningin schreide van vreugde, maar plotseling deinsde ze verschrikt achteruit. Want aan een klein, rood litteken had ze de hand van haar dochter herkend!

De priester bereidde de zalf en wreef er het lichaam van de koning mee in. De volgende dag was de linkerhelft van het lichaam van de zieke glad en gaaf. De rechterhelft vertoonde echter nog dezelfde wonden en zweren. De koning was blij, maar ook teleurgesteld. "Waarom is alleen de linkerhelft van mijn lichaam genezen?" vroeg hij. "Omdat de zalf is bereid van een linkerhand en een linkeroog," antwoordde de priester. "Om u helemaal te genezen, moet ik ook zalf bereiden van een rechterhand en een rechteroog..."

Opnieuw werden de boodschappers naar het klooster gezonden. Daar werden ze weer opgewacht door Miao Shan. "Neem ook mijn rechterhand en daarna mijn rechteroog," zei ze eenvoudig. Een der boodschappers riep verontwaardigd uit: "Is het geen misdaad, de ene mens zo te verminken, om een andere te redden?" Maar Miao Shan antwoordde: "Haast u en doe, wat de goden beschikt hebben."

De boodschappers ontnamen haar toen ook haar rechterhand en haar rechteroog, en brachten die naar het paleis. De priester bereidde snel de zalf en de volgende dag was de koning werkelijk geheel genezen. Iedereen aan het hof wenste de koning geluk en prees de kundigheid van de priester. "Gij zult mijn opvolger zijn," sprak de koning. Maar Kwan Yin zei: "Ik begeer de koninklijke waardigheid niet. Ik heb maar één wens: dat gij als een rechtschapen vorst over uw onderdanen moogt regeren."

Na deze woorden zagen de omstanders, dat de priester zijn arm bewoog. Een wolk daalde toen uit de hemel, nam hem op en voerde hem weg. De koning vroeg verbaasd: "Waaraan heb ik het te danken, dat de goden uit de hemel komen om mij te beschermen en te genezen?" Doch de koningin weende zachtjes. De koning vroeg haar: "Waarom ben jij verdrietig, nu iedereen verheugd is?" De koningin antwoordde: "Ik ken maar één mens, die ogen en handen voor u zou willen offeren, en dat is... onze dochter Miao Shan."

De koning werd doodsbleek. Hij vroeg aan zijn boodschappers: "Hoe zag de non er uit, die haar handen en ogen voor mij geofferd heeft?" De boodschappers antwoordden: "Het was een jong meisje, o koning." De koningin snikte: "Ik heb haar linkerhand herkend..."

Ontzet staarde de koning voor zich uit. Toen wierp hij zich ter aarde en bad schreiend: "Genezende Boeddha, heb erbarmen. Ik heb mijn kind gedood, dat haar handen en ogen voor mij opgeofferd heeft. Vergeef mij deze zware zonde..."

Op dat ogenblik nam Kwan Yin nogmaals de gestalte aan van Miao Shan en verscheen zo voor haar ouders. "Ween niet, vader," sprak ze, "want ik, uw dochter Miao Shan, ben gelukkig." Daarna verdween ze. De koning zei diep ontroerd tot zijn vrouw: "Ik ben niet waardig, nog langer te regeren. Ik wil het voorbeeld van Miao Shan volgen en afstand doen van mijn troon, om in een klooster te gaan." Hij droeg het bestuur van zijn rijk over aan zijn eerste minister en trok zich terug in een eenzaam klooster. Daar leidde hij tot zijn dood een godvruchtig leven.

Sindsdien wordt Miao Shan vereerd als de Godin van de Genade onder de naam van Kwan Yin.


*   *   *

Toelichting
Kwan Yin (Quan Yin, Guan Yin, Quan Shih Yin) is de meest algemeen vereerde en meest populaire boeddhistische bodhisattva in China. Ze is vaak gekleed in een wit gewaad en wordt ook wel 'de bodhisattva die alles op de wereld ziet' of Godin van de Genade genoemd. Men gelooft dat zij zich overal vertoont onder het volk, in verschillende gedaanten. Op haar verjaardag lossen mensen hun gelofte in, doen boete of bidden om voorspoed.

Kwan Yin is in China erg bekend. Dit is ook het land waar zij lange tijd geleden rondwandelde in haar volmaakte tastbare lichaam.

Bron
"Sprookjes van Azië" verzameld en bewerkt door R.M. Dalang. C.P.J. van der Peet, Amsterdam, 1957.

De gebarsten emmer

Een waterdrager in India had twee grote emmers; elke emmer hing aan één kant van een juk dat hij over zijn schouders droeg. Eén van de emmers had een barst en de andere emmer was in perfecte staat. Terwijl die tweede emmer aan het einde van de lange weg tussen de rivier en het huis van de meester een volle portie water afleverde was tegen die tijd de gebarsten emmer nog maar half vol.

Dat ging zo twee volle jaren verder. De waterdrager leverde altijd maar anderhalve emmer water af in het huis van zijn meester. Natuurlijk was de goede emmer bijzonder trots op zijn prestaties omdat hij perfect voldeed voor het doel waarvoor hij gemaakt was. Maar de arme gebarsten emmer was beschaamd om zijn gebrek en voelde zich ellendig omdat hij maar de helft kon presteren van wat je van hem had mogen verwachten.

Nadat hij zich zo twee jaar lang als een mislukking had beschouwd begon hij op een dag bij de rivier tegen de waterdrager te praten.
"Ik ben beschaamd over mezelf en ik wil me bij jou verontschuldigen."
"Waarom?," vroeg de waterdrager, "waarom ben je beschaamd?"

"Omdat ik de laatste twee jaar slechts in staat ben geweest om maar een halve portie water af te leveren. Door die barst in mijn zijwand verlies ik voortdurend water onderweg naar het huis van je meester. Door mijn falen moet jij zo hard werken en krijg je niet het volle loon voor je inspanning," antwoordde de emmer.

De waterdrager kreeg echt medelijden met de oude gebarsten emmer; hij wilde hem troosten en zei: "Als we dadelijk teruggaan naar het huis van mijn meester moet je eens goed op die prachtige bloemen letten aan de kant van de weg."

En inderdaad: toen ze de heuvel opliepen zag de gebarsten emmer de prachtige wilde bloemen langs de kant van de weg en dat bracht hem toch een beetje troost. Maar aan het einde van de reis voelde hij zich toch weer ongelukkig omdat de helft van het water weer was weggelopen en hij verontschuldige zich opnieuw bij de waterdrager omdat hij weer gefaald had.

De waterdrager bekeek de emmer en zei: "Heb je dan niet gezien dat er alleen maar bloemen groeien langs jouw kant van de weg en niet langs de kant van de andere emmer? Dat komt omdat ik altijd al wist dat je een beetje lekte en ik heb daar mijn voordeel mee gedaan. Ik heb bloemzaadjes geplant aan jouw kant van de weg en elke keer als we terugkwamen van de rivier heb jij ze water gegeven. En zo heb ik twee jaar lang telkens prachtige bloemen kunnen plukken om de tafel van mijn meester mee te versieren."

"Als jij niet zou zijn zoals je nu eenmaal bent dan zou zijn huis er nooit zo prachtig uitzien."


Bron

Ontvangen via internet, zonder bronvermelding.

De dans van de kraanvogel

Lang geleden in het Oude China, leefde er eens een arme student. Alle dagen van de Oude Wijzen kon hij opnoemen, hij kon dichten en zelfs schilderen, maar geld bezat hij niet. De jongen was straatarm! In de vroege avond ging hij meestal op bezoek bij zijn vriend, de herbergier. Daar zette hij zich neer op z'n bekende plaatsje in een hoek van de gelagkamer en begon te schrijven of te schilderen.

Op een dag kwam de student weer de herberg binnen, doch hij ging dit keer niet zitten. Hij nam een pot Oost-Indische inkt, doopte zijn penseel erin en schilderde, met enkele zwierige streken, een kraanvogel op de muur. Verwonderd kwamen de waard en de gasten naderbij en keken aandachtig naar de vogel. Want het dier zag eruit of het ieder ogenblik zijn vleugels zou kunnen uitslaan en wegvliegen.

Toen wendde de student zich tot de waard en sprak: "Beste vriend, vandaag vertrek ik uit deze plaats. Maar omdat u altijd zo goed voor mij geweest bent en blijkbaar weet wat honger is, heb ik als afscheidsgeschenk deze kraanvogel op uw muur geschilderd. U hoeft slechts driemaal in de handen te klappen of de kraanvogel strijkt neer op de vloer en maakt een dansje voor u en de gasten. Maar, beste man, houd er rekening mee dat de vogel slechts éénmaal per dag kan dansen."

Na deze woorden klapte hij driemaal in zijn handen om aan te tonen dat hij de waarheid had gesproken en werkelijk, de kraanvogel sloeg zijn vleugels uit, streek met de snavel zijn veren glad en daalde neer op de vloer. Met lichte bewegingen begon bij op wonderbaarlijke manier te dansen. De gasten hielden hun adem in. Toen de vogel zijn dans beëindigd had, steeg hij van de grond op en het volgende ogenblik was hij weer de bewegingloze afbeelding op de muur.

De student nam daarna hartelijk afscheid van de verblufte waard en ging heen.

Van die dag af brak er een gouden tijd aan in de herberg. De gasten stroomden toe, want iedereen wilde de dans van de kraanvogel zien. En hoewel de waard wel eens terugverlangde naar de stille figuur in zijn eigen hoekje van de gelagkamer - iedere keer als de kraanvogel op de vloer neerstreek, was het of de student in levenden lijve voor hem stond.

Op een dag verscheen een bekende rijkaard in de herberg, een slecht en hebzuchtig mens. Toen de kraanvogel gedanst had, eiste de man dat het dier nogmaals zou dansen.

"Dat is onmogelijk, werkelijk, dat kan niet," verklaarde de waard.

Maar de rijkaard, gewend voor geld alles gedaan te krijgen, wierp een buidel met goudstukken op tafel en zei kalm: "Ik wil dat hij nog eens danst!"

Wat kon de arme waard beginnen? Met een bang hart klapte hij nog eens driemaal in de handen. De kraanvogel aan de wand bewoog zich, langzamer dan anders, en streek met droevig hangende kop naar beneden. Hij danste. Doch het was een vreemde dans, waarbij alle gasten tranen in de ogen kregen. Zo danst een dier dat sterven gaat, dacht de waard ontzet. Toen de kraanvogel de dans beëindigd had, bleef hij roerloos staan. De deur werd geopend en daar stond de student in de herberg.

Hij had zijn fluit in de hand en zonder een woord te zeggen bracht hij deze aan de lippen en begon te spelen. Rustig liep de kraanvogel naar hem toe. Geen van de aanwezigen bewoog zich. Er hing een vreemde stilte in de anders zo drukke gelagkamer.

De student verliet de herberg en liep het dorp door. Hij speelde een trieste, beklemmende melodie, die de mensen nóóit zouden kunnen vergeten. Een paar passen achter de student liep de kraanvogel droevig voort. Toen zij aan het einde van het dorp gekomen waren, verdwenen zij zo plotseling, alsof ze door de aarde waren opgeslokt.

Sindsdien heeft niemand meer iets van hen vernomen…


*   *   *

Toelichting
Aziatische verteltraditie. Dit sprookje komt ook voor in de Max Havelaar?

De dans van de kraanvogelKraanvogels zijn grote, grijze vogels met een rode 'kroon' en een kittige staart. Hun naam ontlenen ze echter aan hun roep. Die laat zich het best beschrijven als een soort getrompetter, zoals ganzen dat ook wel doen. Het 'kroe-kroe' of 'kra-kra-kra' is duidelijk te horen in hun Latijnse naam: grus grus (met een oe uitgesproken dus) en ook in de griekse naam: geranos. Van dat woord is ons woord 'kraan' afgeleid. Trouwens, ook de geranium, waarvan de uitgebloeide bloemen inderdaad op vogelkoppen lijken, is naar de kraanvogel genoemd. En niet alleen de bloem. Het dier was kennelijk zo bekend, dat hijskranen (vroeger op twee poten) en waterkranen (vroeger met zo'n zwengel) de mensen aan een kraanvogel deden denken. Zo is de vogel de naamgever van de meest gewone gebruiksvoorwerpen

De dans van de kraanvogelDe 'dans' van de kraanvogel is een beroemd verschijnsel. Dit fenomeen gaat vooraf aan de balts. De mannen paraderen met stijve poten en vooruitgestoken nek, daarna rennen ze in cirkels of maken ze achtjes, ze zigzaggen met gespreide vleugels en dit alles afgewisseld met plotselinge stops, sprongetjes, buigingen en pirouetjes. Neem ook nog de levenslange trouw tussen kraanvogelman- en vrouw en het is niet verwonderlijk dat de vogel het symbool voor tal van goede eigenschappen is geworden.

In het Verre Oosten is de kraanvogel het symbool van geluk, gezondheid en onsterfelijkheid, een beetje vergelijkbaar met onze ooievaar. Men meende dat hij wel duizend jaar kon worden. In Griekenland gold hij als het symbool van waakzaamheid en in Japan is het gebruik om een zieke een of meer gevouwen kraanvogels te sturen.

Bron
"Chinese sprookjes" bewerkt door Marijke van Raephorst. Uitgeverij N. Kluwer, Deventer, 1971, p. 114-117. ISBN: 90-20-20-00-62

De samoerai-krijger en de zenmeester

In Japan leefde eens een soldaat, een samoerai-krijger. Het was een boom van een kerel. Gewoonlijk liepen de mensen met een grote boog om hem heen, want het was een enorme driftkop. Je hoefde maar iets te zeggen wat hem niet beviel, of hij werd reusachtig kwaad. Als je op zijn schaduw trapte, trok hij meteen zijn zwaard en scheidde je romp van je hals.

Die samoerai-krijger zat op een dag in een wijnhuis aan de rand van een groot bos. Hij had al aardig wat wijnkruiken geleegd en was behoorlijk aangeschoten. In een hoekje van de gelagkamer zaten wat dorpelingen uit het nabijgelegen dorp.

De samoerai-krijger hoorde de dorpelingen eerbiedig praten over een oude zenmeester, die in een eenvoudig hutje in het bos woonde. De zenmeester stond de dorpelingen met daad en raad ter zijde. Hij hielp de mensen als ze ziek waren met behulp van geneeskrachtige kruiden en sprak wijze woorden wanneer iemand een probleem aan hem voorlegde.

"Flauwekul!" riep de samoerai ineens. "Weet je wat die man is? Dat is een oplichter! Die klopt jullie geld uit de zak! Zit lekker te niksen voor zijn hutje onder een bladerdakje! Jullie brengen hem kippetjes, en vruchten, en geld, en hij verkoopt jullie alleen maar kletspraatjes! Geloven jullie me niet? Ik zal het jullie bewijzen, breng me er maar heen!"

De dorpelingen durfden niet tegen te spreken en met zijn allen liepen ze het bos in. De samoerai voorop, een beetje waggelend van de vele wijn, en de dorpelingen onderdanig achter hem aan.

Na een tijdje kwamen ze op een open plek in het bos en daar zagen ze de oude man. De zenmeester zat inderdaad voor zijn hutje onder een afdakje van bladeren op de grond. De samoerai stelde zich dreigend en groot voor hem op, en schreeuwde: "Zo! Nou moet jij me eens vertellen of er nou echt een poort van de hel en een poort van de hemel bestaan!"

Het eerste moment leek de zenmeester in gedachten verzonken. Toen richtte hij zijn hoofd langzaam omhoog, keek de samoerai in de ogen en zei met zachte stem: "Hé... dus jij bent die beroemde, die beruchte samoerai-krijger?"

De zenmeester nam de samoerai van top tot teen op en begon te grinniken.

"Neem me niet kwalijk dat ik lach... maar jij ziet er eigenlijk helemaal niet uit als een samoerai-krijger! Jij ziet er meer uit als een... ja, als een clown! Met die dikke wijnbuik van je, die rooie neus en die uitpuilende ogen! Weet je wat ik denk? Ik denk, dat als de mensen voor je op de grond vallen, dat ze dat niet doen van angst... maar van het lachen!"

De samoerai werd witheet van woede. Razendsnel trok hij zijn zwaard en hief het op om toe te slaan. Op hetzelfde moment zei de zenmeester rustig: "Kijk...! Nu sta je vlak voor de Poort van de Hel!"

Verbouwereerd staarde de samoerai de zenmeester aan. Langzaam liet hij zijn zwaard zakken.

"En nu," sprak de Zenmeester, "sta je vlak voor de Poort van de Hemel."


*   *   *

Bron
"De Wolkenberg. Oosterse sprookjes" verteld door Peter van der Linden. Ziederis, Rotterdam, 2004. ISBN: 90-70042-07-X

Boeddha en de moordenaar

Boeddha heeft ooit een moordenaar als discipel geaccepteerd en dat was bepaald geen gewone moordenaar. Zijn naam was Angulimala. De naam Angulimala betekent 'iemand die een halssnoer van mensenvingers draagt'. Hij had gezworen dat hij duizend mensen zou doden. Elk van die duizend hakte hij één vinger af, zodat hij kon bijhouden hoeveel hij er al gedood had en van die vingers maakte hij een halssnoer. Zijn halssnoer telde inmiddels negenhonderd negenennegentig vingers; er ontbrak er nog maar één. En dat kwam doordat de weg naar hem toe afgesloten was, niemand ging meer die kant op.

Maar Boeddha nam die afgesloten weg toch. De koning had wachtposten uitgezet om de mensen tegen te houden, in het bijzonder vreemdelingen die niet wisten dat er achter de heuvels een gevaarlijke kerel woonde.

Die wachtposten zeiden tegen Boeddha: "Deze weg moet u niet nemen want die brengt u naar de plek waar Angulimala woont. Zelfs de koning durft deze weg niet te nemen. Die moordenaar is gewoon geschift. Zijn moeder heeft hem lange tijd daar opgezocht. Zij was de enige die dat zo nu en dan nog deed maar zelfs zij is ermee opgehouden. De laatste keer dat ze er was, heeft hij haar gezegd: 'Er ontbreekt nog maar één vinger en enkel omdat je mijn moeder bent… Ik moet je ervoor waarschuwen dat als je nog een keer komt, je niet meer levend zult terugkeren. Ik zit zo om die ene vinger verlegen dat ik er wanhopig van word. Tot nu toe heb ik je niet hoeven te doden omdat er nog andere mensen waren maar nu zie ik hier, buiten jou, niemand meer. Ik moet je dus waarschuwen dat het helemaal voor je eigen verantwoording is als je nog komt.' Sindsdien is ook zijn moeder niet meer gegaan."

De wachten zeiden nog eens tegen Boeddha: "U moet zich niet onnodig in gevaar begeven."

En weet je wat Boeddha zei? Boeddha zei: "Als ik niet ga, wie gaat er dan? Er zijn maar twee mogelijkheden: ofwel, ik zal hem transformeren en dan mag ik deze kans niet laten lopen, ofwel, ik bezorg hem nog een vinger en dan is zijn wens vervuld. Ik zal in elk geval ooit moeten sterven. Als ik mijn leven laat bij Angulimala, dan is het tenminste nog van nut geweest. Anders zal ik op zekere dag sterven en zullen jullie me op de brandstapel leggen. Ik denk dat ik er beter aan doe iemands verlangen te vervullen en hem gemoedsrust te schenken. Hij doodt mij of ik hem, maar deze confrontatie moet doorgaan. Wijs me maar de weg."

De mensen die Boeddha gewoonlijk volgden, zijn naaste metgezellen, die met elkaar wedijverden om zo dicht mogelijk bij Boeddha te mogen zijn, hielden hun pas in, zodat Boeddha al snel enkele kilometers op zijn discipelen voorlag. Die wilden niets missen van wat er ging gebeuren maar ze wilden zich ook niet te dichtbij wagen.

Angulimala zat op zijn rotsblok op de uitkijk. Hij wist niet wat hij zag. Er kwam een man van grote schoonheid en met een ongelofelijke uitstraling naar hem toe. Wie kon dat zijn? Hij had nog nooit van Gautama de Boeddha gehoord maar zelfs in Angulimala's hart van steen begon een teder gevoel voor deze man te ontwaken. Hij zag er zo mooi uit, zoals hij daar op hem toe stapte. Het was nog vroeg op de dag... er waaide een koele bries en de zon kwam op... en de vogels zongen en de bloemen gingen open. En Boeddha kwam almaar dichter naar hem toe.

Toen hij het welletjes vond riep Angulimala met het zwaard in zijn hand: "Halt!" Boeddha was nog maar enkele passen van hem verwijderd. Angulimala zei: "Geen stap verder, anders kan ik er geen verantwoording meer voor nemen. U lijkt niet te weten wie ik ben!" Boeddha zei daarop: "Weet jijzelf wel wie je bent?" Angulimala antwoordde: "Dat heeft er niets mee te maken. Het is hier niet de juiste plaats en ook niet de juiste tijd om over zoiets te redetwisten. Uw leven loopt nu gevaar!" Boeddha zei: "Ik zie dat heel anders, jouw leven loopt gevaar!"

De man zei: "Ik heb altijd gedacht dat ik gek was maar u bent hartstikke gek. En u komt ook nog steeds dichter op me toe. Laten ze niet zeggen dat ik iemand gedood heb die niet wist wat hem te wachten stond. U ziet er zo onschuldig en mooi uit dat ik wil dat u teruggaat. Ik vind wel iemand anders. Ik kan nog wel wat wachten, er is geen haast bij. Als het me lukt om negenhonderd negenennegentig keer... er ontbreekt er nog maar één aan, maar dwing me niet u te doden."

Boeddha liep tot heel dichtbij hem en de handen van Angulimala begonnen te trillen. Die man was zo mooi, zo onschuldig, zo kinderlijk. Hij was al van hem gaan houden. Hij had zoveel mensen gedood... Hij had dit zachte gevoel niet eerder gekend, hij had nooit geweten wat liefde is. Voor het eerst in zijn leven stroomde hij vol liefde. Hij wist niet waar hij voor moest kiezen: in zijn hand hield hij een zwaard om de man te doden maar zijn hart zei: "Steek het zwaard weer in de schede."

Boeddha zei: "Ik ben er klaar voor maar waarom beeft jouw hand? Jij bent toch zo'n geweldige strijder, dat zelfs koningen bang voor je zijn en ik ben maar een arme bedelaar. Buiten mijn bedelnap bezit ik niets. Je kunt me doden en me de voldoening geven dat tenminste mijn dood iemands verlangen heeft vervuld. Mijn leven heeft ergens toe gediend en mijn dood zal dan ook ergens toe gediend hebben. Maar voordat je mij onthoofdt, heb ik nog een kleine wens die je wel zult willen vervullen voordat je toeslaat."

De hardvochtigste vijand zal de laatste wens van degene die hij gaat doden, nog willen vervullen. Daarom zei Angulimala: "Wat is je wens?"

Boeddha zei: "Ik wil dat je van die boom een tak vol bloesem afhakt. Ik zal die bloesem nooit meer kunnen zien en ik wil hem nu nog even van heel dichtbij bekijken, zijn geur opsnuiven en zien hoe mooi en stralend hij er in deze ochtendzon uitziet."

Angulimala sloeg dus met zijn zwaard een hele tak vol bloesem af. En voordat hij die Boeddha kon aanreiken, zei Boeddha: "Dit was maar de helft van mijn wens, de andere helft is dat je de tak weer terugzet aan de boom."

Angulimala zei: "Ik had meteen al door dat u niet goed snik bent. Dit is het idiootste verzoek dat ik ooit heb gehoord. Hoe kan ik die tak nu weer terugplaatsen?"

Boeddha zei: "Als je iets niet kunt maken, heb je ook niet het recht om het kapot te maken. Als je niet iemand het leven kunt schenken, mag je hem ook niet het leven ontnemen."

Een moment van stilte en een moment van transformatie... het zwaard viel hem uit zijn handen. Angulimala viel neer aan de voeten van Gautama de Boeddha en sprak: "Ik weet niet wie u bent maar wie u ook bent, neem me mee naar de plaats waar u ook bent. Laat me uw discipel worden." Tegen die tijd waren de volgelingen van Boeddha ook iets dichterbij gekomen. Ze stonden in een kring eromheen en toen hij aan Boeddha's voeten neerviel, kwamen ze onmiddellijk naderbij. Een van hen riep: "Geef deze man geen sannyasin. Het is een moordenaar."

Boeddha zei: "Als ik hem niet toesta mijn discipel te zijn, wie zal dat dan wel doen? En ik houd van die man, van zijn moed. Ik kan zien dat er geweldige mogelijkheden in hem schuilgaan. Stel je eens voor, een man die het in zijn eentje tegen de hele wereld durft op te nemen. Ik zie die mensen die het tegen de hele wereld durven opnemen, graag naar mij toe komen. Tot nu toe heeft hij het met zijn zwaard tegen de wereld opgenomen, vanaf heden zal hij dat met zijn bewustzijn, dat scherper dan enig zwaard is, doen. Ik heb jullie gezegd dat er iemand gedood zou worden maar het was nog onduidelijk wie, ik of Angulimala. Nu kun je zien dat het Angulimala is. En wie ben ik om te oordelen?"


*   *   *

Toelichting
De Nederlandse vertaling van de Angulimala Sutta, uit de oude geschriften: www.suttas.net.

Bron
dharma-lotus.com/ 

De veerman en de monnik

Er waren eens twee broers, zonen van een veerman. Als kind al voeren zij met hun vader heen en weer over de rivier, wanneer hij voorbijgangers overzette. De betaling was maar karig: één dubbeltje per persoon.

Het werk was eentonig en weinig geestverheffend: dus besloot de oudste om meer diepgang aan zijn leven te gaan geven. Hij verliet het huisje aan de rivier, zijn ouders en broer en het veerbootje en trad in, in een boeddhistisch monnikenklooster.

Na vele jaren van meditatie en zoeken naar het hogere en naar de verborgen krachten in de menselijke geest, gebeurde het dat hij op reis moest naar een ander klooster en onderweg het ouderlijk huis passeerde. Hij klopte aan en na veel hartelijke omhelzingen en vreugdetranen vertelde men elkaar hoe ieders leven tot nu toe verlopen was.

Na enige tijd nam de monnik weer afscheid en na alle goede wensen over en weer liepen beide broers naar het veerbootje, de een om over te zetten, de ander om overgezet te worden.

De broer-veerman vroeg aan de broer-monnik: "Wat heb je nu eigenlijk in de afgelopen zeven jaar in dat klooster geleerd?"

"Ik zal het je laten zien," zei de monnik, en hij daalde af naar de oever van de rivier; over het water liep hij naar de overkant, zwaaide daar nog eenmaal vaarwel en verdween tussen de bomen.

"Dan is, wat hij in die zeven jaar in dat klooster geleerd heeft, precies één dubbeltje waard," zei de veerman en ging weer tevreden aan zijn arbeid.


*   *   *

Bron
dharma-lotus.com