Siddharta besloot afstand van de troon te doen en de wereld in te trekken.
Hij knipte zijn haar af en veranderde zijn naam in Gautama.
Gautama word een dolende asceet die de wereld wilde leren kennen. Zes jaar lang onderwierp hij zijn lichaam vruchteloos aan kastijdingen. Toen ging hij naar Bodh Gaya, waar een vijgenboom stond die de Boom der Wijsheid word genoemd. Hier besloot hij te mediteren, totdat hij gevonden had wat hij zocht.
Terwijl Gautama mediteerde, probeerde de demon MARA hem in verzoeking te brengen (in de christelijke mythologie deed SATAN hetzelfde bij de Heilige Antonius).
Mara zond zijn mooie dochters om Gautama te verleiden, hij trok er zich echter niets van aan.
Daarna zond hij monsterlijke duivels, die echter evenmin de concentratie van Gautama konden verstoren. In een laatste wanhopige poging slingerde Mara een gloeiende discus naar hem, die dwars door bergen kon snijden. De discus veranderde boven het hoofd van Gautama in een baldakijn van bloemen.
Vijf weken lang was Gautama in meditatie verzonken. Zelfs een vervelstorm deerde hem niet. De slangenkoning Moechalinda beschermde hem met zijn massieve schild. Na de vijfde week bereikte Gautama de verlichting hij begreep de bron van alle lijden en zag in dat hij alle begeerte achter zich moest laten om het lijden uit te sluiten.
Zo werd hij Boeddha, bevrijd van al het leed en van de cyclus van reïncarnatie.
Nu stond Boeddha voor de keus. Hij kon het Nirvana binnengaan, de ongestoorde toestand van het hoogste bewustzijn, en de wereld verlaten of van zijn persoonlijke verlossing afzien om zijn medemensen de weg te wijzen. Mara drong op het eerste aan, Brahma op het tweede.
Boeddha gaf gehoor aan de stem van zijn schepper. Hij begon rond te trekken en zijn leer te verkondigen, stichtte een kloosterorde en legde de grondslag voor de boeddhistische periode van de lndiase cultuur.
Na de dood van Boeddha werd de boeddhistische mythologie door de rivaliteit tussen zijn leerlingen verder ontwikkeld.